• Ratten opeten

    Zijn er menselijke soortgenoten die ratten opeten? Ja, wis en waarachtig zijn er mensen die ratten culinair verheffen. Hond of kat smullen is daarmee vergeleken een ordinaire bagatel of louter een blikken aangelegenheid.

    Van de ratten snoepen, dat is de rattenkwestie. De meeste schepselen hebben er wel de buik al van vol, vooraleer ze ratten hebben geproefd. Dames plegen op de tafel te springen voor een grijze muis, maar wij zouden aanzitten bij de ratten aan tafel, via het rattenrafelijzer.

    “Bah, vies!' zal je prevelen. Nou die dat debiteren, hebben de precieze rattensmaak nog niet te pakken en laten zich nog niet door de ratten ratten.

    Het rattenfestival. We hadden het maanden geleden afgesproken in een oude watermolen, de Slagmolen, die destijds draaide als taveerne, om er eens een rattenmolen van te maken. De slag van de molen was al talloos uitgedeeld. Nu een open-deur-dag van de rat.

    Maar de ratten moesten eerst gevangen worden, liefst in de nabijgelegen Stiemerbeek. Maar muskusratten laten zich zomaar niet bij hun pels vatten en een mini legioen was nodig om ingelijfd te worden en aan een lekker eind gebracht.

    Wij, rattengasten, zaten aldaar geestdriftig te wachten op het rattensouper. Dra zouden we eindelijk de lang verwachte rat van fortuin in onze geile mond dopen, haar innig omgorden met de kwispelturige tong, het weefsel van de tong uitstrekkend. Geknabbeld en gesabbeld erop, zodat alle delicieuze sappen zouden rondzwieren in de happige mondholte, lekker met gelebberd speeksel aangelegd en verbonden. Dan zouden we de prikkelende rattenzooi of ratjestoe zeer intiem en langzaam aflikken, om te laten glijden, zachtjes naar de onvergetelheid. Een rat vindt licht een gat. De afgeknabbelde pootjes zouden wij gebruiken als veel potig tandenstoker. Ja, wild enthousiast waren we, zodat inderdaad het vocht amechtig uit de smachtende monden liep en wijzelf gekscherend zouden zeggen: “Nu loopt al het water uit onze bek en seffens zijn het misschien de ratten die uit onze mond weglopen!”

    Aan de meet worden de ratten uitgedeeld. “Heb je al je testament gemaakt?”, vroeg een vaste tooghanger doodserieus. “Wat testament?”, vroeg ik konkelend. “Ah wel,” zei hij, “het kan toch best je laatste avondmaal zijn.” “Ik heb een goede levensverzekering!”, loog ik en vermande mij als een bokser die na de eerste, rake klap met zijn nek het hoofd nog wat hoger houdt. “Hij ziet er nochtans lijkbleek uit”, ging de cafébazin als een begrafenisondernemer verder, op een toontje alsof mijn licht al uit was en ik nog enkel diende op te stijven. Maar ik wist het: ik zou hier minstens mijn been stijf houden.

    Ondertussen liep de rattenconsul, die de ratten bereidde en lekker wilde afleggen, aanhoudend met opzwepende tred door de keuken en achter de bierbalie. Zijn ogen vlamden en glunderend stookte hij: “Het is bijna zover. De waarheid is nabij!”

    Toegeven, alvorens ik aan de ratten begon te knagen, begonnen de ratten stilaan bij voorbaat aan mij te kabbelen. In de nachtmerrie bij dag wreven ze al in hun pootjes. De ratten kwamen naar het zinkende schip. Maar een woord is een woord en een rat is een rat: ik zou ratten eten of overgeven.

    Als kouwelijke mussen zaten de ratgenoten neven elkaar. “En heb gij al ooit ratten gegeten?” vroeg ik aan een collega rattengast. “Neen”, sprak hij dof met omfloerste stem. “Gij wel?” “Ik ook niet,” sprak ik deemoedig en onderdanig, zag hoe zijn gezicht een weinig opkikkerde, luttele troost verschaffen als een zuchtluchtje, schielijk ontstegen aan de penibel rattenbenepenheid en samen keken wij nederig scheel naar beneden, om de laatste moed te zoeken en bijeen te rapen.

    Immers, ondertussen ging de losse kal van de andere, vaste jongens bestendig verder. Zo van: “Ge denkt toch niet dat ik ratten ga eten, ik ben mijn leven nog niet moe”, en “Ik hang me nog liever op, dan ben ik er vlugger vanaf”. “Ik ben niet op mijn kop gevallen, zwijg stil van op een rat!” De stamgasten als lijkbidders in clownspakken, de moed aan de bretellen.

    Een van de oudste caféversierders maakte nu aanstalten om er onderuit te pijpen en sprak devoot tot de tapbaas: “Hier een kaartje van deelneming, ik kan volgende week niet naar de begrafenis komen”. Tot mij fluisterde hij fideel en ontroerd, terwijl hij mij innemend de hand van innig medeleven toestopte: “Vaarwel, mijn beste!”. Zonder er nog een woord uit te krijgen, ging hij in gecondoleerde tred naar buiten, ontblootte nog even opnieuw zijn hoofd, niet omkijkend en deed de zware deur als van de kamer der stervende zachtjes dicht. Als een mens in een rattenval, voelde ik mij. Of een konijn, een waterkonijn.

    Heel even later kwam het voorgerecht: een grote schotel, niet zo kaal als een rat, met daarop negen rattenstaarten, zesendertig rattenpoten en ...

    (uit Koerier)