• Boekjesdans

    Wat moet ik met al die boeken? Wat begonnen is als een streling is niet meer in de hand te houden. Vol verwachting klopt je hart, maar voor je het weet zit je met een boekenplaag. En het stak niet op een bladzijde. Boeken om te oogzoenen en je er later mee te verzoenen. De boeken hebben meer ruggengraat dan ik.

    Het hele huis is van boeken verstoten. Alleen in de badkamer is er boekenverbod voor de badeendjes. Niets te kwetteren maar letteren. Een boek om zeep helpen, het schuim staat me op de lippen.

    Geen boekenrek zo gek of ik heb het. Kwestie van ruggespraak. Van ah tot zot. Stukken uit de kraag, bladmoeheid, de stille vastheid van lijmen, leeskuisheid; het zijn vakkefietjes van de boekverblinder. Of roem de boekendregger, komt ter hulp als de pagina's dreigen te verdrinken in ezelsoren. Boeken roesten met hoogblond op snee. De boekenpers is een binnenwipper, zet bladzijden uitgestreken op hun plaats. Niet weg te houden zijn de grove en de fijne gom. De potlood als kleinste vijand. Wat met het boek waarvan de flap over de haag is gegooid? Hoe vaak zal ik nog de boekenplank mislaan? Zo stijf als een hout. Boekturnen. Rekoefeningen van de bovenste plank, door de knieën gaan voor het laagste.

    De boekensmurfin, Gaston de boekengarçon, Eulalie de boekenstuttrut, Bobby de boekensnuffelaar en Barby de boekstaaf. De boekuil zit achter de computer. De boekverbranders zijn niet uitgeleend aan Auschwitz.

    “Waar is het stoute boe-hoek? Lig die nog buiten?” vraagt mijn kleinzoon. “Die moet buiten in de hoek staan!” De stank heeft in mijn boek gedaan. Mijn kleinzoon kan pas later mijn boekje opendoen. Als dode letterkunst.

    Het boekenonderzoek beperkt zich niet tot eeneiige tweelingen, zelfs drielingen of tot eenzelfde titel die in de drukkunst een andere kaft heeft gepakt. Niet uit je beginnende keikop te onthouden. Vandaar dat echte boekenjoden zich in antiquariaten of tijdens beurzen met rupsbandige duwkoffers optreden als de hanglijsters naar alfabetische verzoeknummers. Pas op met de assistenten, ze gaan voor hun baas door het leeslint.

    De instorting is vaak nabij. De boeken hoeven niet netjes op een rij te staan voor een domino-effect. De vloekentoren der verstotelingen. Gooi nooit een handboek in de ring. Leen nooit een boek uit, geef het meteen weg.

    Zorg dat boeken niet met de rug tegen de muur staan. Alhoewel, ze gapen beleefd. Je kan ze kleur doen bekennen. Er zijn boekenfreaks die een oude wal kleurboeken kopen als decor met verve. Ik herinner me de bedpoëten die bundels onder de poten mikten om tijdens de bijslaap en andere moeheid tot een beter zwevenwicht te komen. Hun dichterschap droeg bij tot en beter slaapboekcomfort. Hoezeer beminden ze de muze, ze hadden nood aan een lokkentest. Vele jaren na hun dood waren de weduwen nog druk in de weer. Steen en been klagen. Vooral het teveel aan boeken.

    Straks moet ik nog naar Amsterdam. Naar het boekenbal. Ik dans al naar de pijpen.

    Categories: Boekitis, Stukjes 0 commentaren
  • Geen broe(de)rtje aan dood

     

    Eens naar de broederschool, kon ik weer volop achter broer Karel aan, schier elf maanden ouder, een kopje kleiner, maar mijn grote, watervlugge vriend. Gevraagd waar hij was, sprak meester Plevoets:”Kijk maar eens onder de bank!” Maar hij was er niet, zoals hij later voorgoed verdween, per ongeluk.

    Van de kleuterschool bij de zusters bewaar ik iets. Een buurmeisje had me ten huwelijk gevraagd. Vroege stramheid hield mijn been stijf en weinig flater later lag ik ermee in het gips: gevallen onder een wip. Stuipen en nieuwe lichaamsgaten waren grotendeels achter de rug.

    De lagere schoolperiode heb ik later hoog geschat. Destijds wist ik van toeten noch blazen. Wijsgemaakt at ik zure, platte kaas om beter naar het leven te kunnen fluiten en liet vooral de wind maar waaien. Onwetend kon je niet zondigen.

    De Broederschool of vroeger de Broeder(ke)sschool. De tweede helft van het jeugddozijn liep in trein. De christelijke opvoeding deed dienst als trekker. Mijn onderwijswagon I was met meester Kellens, II met meester Versyck, III met meester Paesmans, IV met meester Fabry, V met Broeder Jozef en VI deels met meester Pieter. Ziedaar voor ieder wat drills.

    Er was ook nog het zevende en het achtste studiejaar. Voor sommigen trok het op een boemeltrein, van 't kan mij niet bommen of een expres tot leerjongen. Arbeid zadelt op.

    Meester Bancken vertelde me een snorverhaal: straf werd geschreven, nooit geslagen, maar het kon eens gebeuren dat er iemand per ongeluk tegen de hand liep!

    Enige vorm van ouderwetse, plastische chirurgie was er ook al. Oren werden meer volume gegeven, tongen verlengd en dan mocht er gedefileerd worden op de speelplaats. Toeren achter je droombomen. Of het berghok werd een verberghok.

    Terzijde was er Br. Marcel, een broeder met een vredespijp uit een variabele Nerostrip, de voedstervader van een zee aan marmotten, maar geleerd gezegd: Guinese biggetjes of een soort satire op het omgekeerde missiewerk. Sportief, met het hart van een voetbal.

    Geachte, maar veelvuldig te weinig beminde lezer, paradoxen hebben mij altijd bekoord en ik probeer ze te koesteren. Ze staan model om oor-, oog-, neus- en mondbeelden van vroeger te verzintuigen.

    Tussen het bord mogen afvegen, de borstels mogen uitkloppen (niet tegen de muur) of naar je hoofd krijgen, was een groot verschil, maar je stond in het krijt.

    Je had nog een inkt- of een lekpot. Op je handen stonden valse tattoos. Met schrijven was het niet het penneke maar het menneke.

    De lentes botten over de Broederschool, de winters waren binnen kachelheet en op sloffen.

    De eetzaal was eveneens de bierstube. Er was de misdienaar, de brigadier van het verkeer of van zijn melk, de voetballer of de schele otter, de jabroer, de glazen bollenkampioen met lont aan de knikker of gewoon de sigaar.

    Br. is de afkorting van Broeder. Brr, één letter meer, was koud geweest. Leraars kunnen onder anderen donderwijzers en bijzonderwijzers zijn. Er klonken aliassen als lasso's. Ook grieven gaf duizend namen. Voske scheen eerder een clemente koosnaam. Maar mijnheer Platvoet zijn wereld stond bol. Achter de bijnaam Schildpadje school een rap mens. Het pseudoniem Molly vertekende een man die zich voelde als een vis in het water en geen hondenleven had.

    Naast de Broederschool stond evenwel de honskoei, de spotnaam voor de kleine gemeenteschool. Maar als leerling van de Broederschool mocht je niet terug keffen als je werd aangeblaft.

    Dit is maar een daar geleerde optelsom van fragmenten, de Broederschoolstoet is veel meer. Ik heb het nog in de smiezen. Soms denk ik aan de beklijfde geur van de turnzaal. Dat ik dacht: moet ik later zo in soortgelijk zweet en feest mijn aangezicht verdienen?

    De lagere school, ik heb er nooit een broe(de)rtje dood aan gehad.

    Uit het Jubileumboek 100 Jaar Broederschool Genk

    Categories: Genk, Stukjes 0 commentaren